Lenette van Dongen komt met haar programma akelig dicht bij antwoorden op grote vragen ****

Door Patrick van den Hanenberg op De Volkskrant

Met een aantrekkelijke combinatie van grove taal en charme houdt Van Dongen de zaal heel knap binnenboord.

Iedereen is op zoek naar geluk. De beginneling ls besmet met ‘bllj- dwang’ en wil de hele dag met een vlaggetje in de hand meehobbelen in de polonaise van majeur. De bui­tenkant is het belangrijkst. ‘Hoe gaat het?'‘Prima!’

De gevorderde gelukzoeker accep­teert de dalen, in de wetenschap dat de pieken daardoor veel bevredigen­der zijn. Lenette van Dongen be­vindt zich in deze categorie. Zij kan zich helemaal overgeven aan Toon Hermans’ levensblije Dii is een plek om lief le hebben. Maar zij gaat ook onderuit na een botsing met een ke­rel die haar onbeschoft afbekt in het verkeer, en zij raakt behoorlijk over­stuur van haar eigen doorgedraaide consumentengeilheid, die leidt tot de aanschaf van veel te dure laarzen. Aan het slot van haar programma Hoogseizoen, wanneer zij op eigen krachteen lastige rotswand heeft bedwongen (een indrukwekkend decorstuk), ontdekt Van Dongen dat er ook nog een superliga onder de gelukzoekers bestaat. Het is een beetje cliché om daar een oude wijze vrouw voor te introduceren, maar inhoudelijk heeft Van Dongen wel een ijzersterke pointe aan haar be­toog geboetseerd.

De maakbaarheid van het leven, het verschil tussen geluk en tevreden­heid, het zijn terugkerende thema’s in het repertoire van Lenette van Dongen. In haar vorige zeven pro­gramma's won het gevoel het meest­al van het verstand, in Hoogseizoen is de ratio duidelijk aan de winnende hand. Zij analyseert de diepgang van de geluksbehoefte bij zichzelf en van de mensen uit haar omgeving

en de passanten op straat. Als een geroutineerde en buitengewoon ontspannen stand-up comedian gaat zij aan de slag met de zaal om samen watgelukspiketpaaltjes te slaan, waarna zij haar eigen verhaal vertelt.

Dat doet zij innemend energiek, in een zeer hoog tempo, waarbij zij knap inspeelt op de herkenbaarheid van het dagelijkse gestuntel. Grap op grap op grap, waardoor er een vrijwel constante lachgolf door de zaal gaat. Als in een animatiefilm geeft Van Dongen een stem aan de wasmachine en een Nespresso-apparaat, en grandioos mimet zij hoe zij de laatste jaren is veranderd van een speedboot in een veerpont.

Van Dongen heeft behoorlijk wat zelfspotln huls. Maar als zij zichzelf onderuit haalt, deelt zij met een lach ook tikken uit aan het publiek. Dat doet ze met grove taal en charme, en door die aantrekkelijke combinatie houdt ze de zaal heel knap binnen­boord.

Halverwege trapt zij opeens hard op de rem en vertelt hoe zij is geraakt door een foto van een groep Indiase vrouwen die samen eten maken. Van Dongen krijgt de zaal in een klap muisstil als een meesterdompteur. Even blijft de motor stationair draai­en en dan wroet ze hardhandig ver­der in haar eigen ziel en die van het publiek met vragen als ‘Hoe is het toch mogelijk dat je indruk wilt ma­ken op mensen die je niet eens aar­dig vindt?' In Hoogseizoen komt Van Dongen akelig dicht bij antwoorden op grote vragen.