Zomer van mijn leven

We rijden in onze Citroen HY ergens door Frankrijk.

De verkering is vers.

Alles is makkelijk.

We hebben geen ander doel dan samen in ons busje rond te rijden.

Opzoek naar een stil dal, een ver uitzicht vanaf een heuvel of een helder meertje.

De kampeerbus is ons rijdende huisje. Waar het mooi is stoppen we de motor, trekken de handrem aan en schuiven de deur open. We frummelen de klapstoelen onder het bed vandaan en zetten ze naast het busje. Geen zak met genummerde tentstokken. Niet op je knieën door een klont tentdoek kruipen opzoek naar het gaatje voor de nokstok. Geen hamers en haringen. Gewoon: Oh, mooi hier he! Ja, mooi hier! Bakkie kof? Ja lekker! Deurtje open. Stoeltjes eruit, tafeltje eruit. Klap… klap… klaar.

Elke dag een ander terras met elke dag een ander uitzicht op de wereld.  

Samen maken we het ontbijt. Alles op nog geen vierkante meter. We moeten dicht langs elkaar manoeuvreren. Lieve aanrakingen. Zachte ogen. Onze lichamen zijn nog open. Mijn ruimte is jouw ruimte.

Lief zet de koffie. Gaskraantje open, fluitketeltje, acht keer trappen op t pedaal van de waterpomp, lucifertje, vlammetje aan, koffie in de papieren filter op de koffiepot, fluuuuuuuuuuuuut water kookt, vuurtje uit, langzaam opschenken.

Ik pak het verse franse stokbrood uit de krakende papieren zak.

Laatje open laatje dicht voor het broodmes. Kastje open kastje dicht voor de broodplank en twee bekers. Ik zaag het brood open, leg de franse kaasjes naast het brood op de plank. En tien minuten na het aantrekken van de handrem zitten we aan het ontbijt. Ergens net buiten een Frans dorpje. De ochtendzon is aangenaam. De vlinders dansen boven de wilde bloemen in t weiland. Om ons heen die diepe, heerlijke, alles doordringende stilte.

Alleen af en toe een dikke bromvlieg die voorbij zoeft of het kraken van het verse stokbroodje. Fijn he. Ja, fijn. Een zucht en weer die stilte.

Nog geen Nespresso, nog geen i-phone, nog niet teleurgesteld in de minder leuke kanten van elkaar, nog geen verwachtingen van het leven die niet uitgekomen zijn. Alleen maar open, en JA! en eenvoudig.

Nu is het vijfentwintig jaar later. We liggen aan een wit privéstrand van een duur hotel. Helder blauwe zee en palmbomenzon. Onder de luifels wordt onze tafel gedekt door mannen met witte jasjes. De lunch die ons wacht zal fenomenaal zijn. We genieten.

Doe mij maar duizend van deze zomers.

Tot Lief mij over de rand van zijn leesbril aankijkt en zegt: hoe zou het met ons busje zijn. En we lachen. Een diepere lach dan toen we uitkeken over de zomerbloemen.